de lening was ten tijde van de verstrekking zakelijk en is dat gebleven gedurende de looptijd.
het is aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de lening onzakelijk is. in deze zaak onderbouwt de inspecteur zijn stelling met de gebruikelijke argumenten, zoals:
- geen zekerheden gesteld;
- relatief lage rente;
- geen aflossingsplicht; en
- de achterstelling ten opzichte van de banklening.
de erfpacht betrekt hij niet bij zijn beoordeling. volgens hem bestaat er geen oorzakelijk verband tussen de erfpacht en de lening.
hof den bosch ziet dit anders. de bv van vader verstrekt de lening én geeft de grond in erfpacht om de bouw van het hotel te realiseren. er moet daarom beoordeeld worden of een onafhankelijke derde onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden – maar zonder de aandeelhoudersrelatie – de lening ook zou hebben verstrekt. daarbij moet dus ook worden meegewogen dat die derde de grond aan de bv van de zoon in erfpacht geeft. door de erfpacht is de bv van de vader eigenaresse gebleven van de grond en door natrekking is zij eigenaresse geworden van het hotel. daarmee wordt de bv van vader een bepaalde vorm van zekerheid geboden, waarmee een onafhankelijke derde ook rekening zou houden bij zijn financieringsbeslissing. het is weliswaar mogelijk dat een derde de lening niet zou hebben verstrekt als de erfpacht zou worden meegewogen, maar zonder nader bewijs acht het hof dit niet aannemelijk. dat bewijs heeft de inspecteur niet geleverd. de lening moet daarom ten tijde van de verstrekking als zakelijk worden aangemerkt.
ook tijdens de looptijd waarin de lening twee keer is verlengd met vijf jaar, is de lening zakelijk gebleven. op de momenten waarop de lening werd verlengd, was de financiële positie van de bv van de zoon niet zodanig slecht dat ingrijpen nodig was.