de centrale raad van beroep heeft op basis van recente uitspraken aanleiding gezien om niet langer de eis van ‘voortvarend handelen door de werkgever’ te stellen voor het beoordelen van verwijtbare werkloosheid. in de wet zijn dringende redenen van ontslag op staande voet limitatief omschreven. daarom ligt er in voorkomende gevallen meestal verwijtbaar gedrag van een werknemer aan dat ontslag ten grondslag. het was om die reden een vreemd verschijnsel dat voor de beoordeling van verwijtbare werkloosheid voor de ww niet alleen de inhoud van de verwijtbare gedraging bepalend was, maar ook het feit of de werkgever bij het ontslag voldoende voortvarend had gehandeld.

simpel gezegd: heeft de werknemer zich verwijtbaar gedragen, maar heeft de werkgever niet voldoende voortvarend gehandeld bij het ontslag? in dat geval kreeg de werknemer tot nu toe toch een ww-uitkering, omdat hij niet verwijtbaar werkloos werd geacht. voor verwijtbare werkloosheid werd een verbinding gelegd tussen de dringende reden in artikel 7:678 bw en het onverwijld handelen door de werkgever in artikel 7:677 bw. deze koppeling heeft de centrale raad van beroep nu verlaten. een werknemer die terecht wegens een dringende reden is ontslagen, wordt hierdoor verwijtbaar werkloos geacht. hij of zij zal dan geen ww-uitkering meer krijgen – ongeacht het feit of de werkgever wel of niet voortvarend handelde bij het ontslag.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief