de vertegenwoordigingsbevoegdheid van een bestuurder vloeit namelijk voort uit de wet en ligt als zodanig vast in artikel 2:130, lid 2 bw. omdat niet vaststaat of er eventuele beperkingen zijn van deze vertegenwoordigingsbevoegdheid, staat die bevoegdheid vast. de vraag of er sprake is van toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan dan niet aan de orde zijn.
andere invalshoek
de hoge raad beoordeelt de zaak ook nog vanuit een mogelijk andere invalshoek. in het oordeel van het hof kan namelijk ook besloten liggen dat de bestuurder voor zichzelf heeft gehandeld en niet als vertegenwoordiger van de nv. in dat geval speelt de vraag of bij het maken van de borgstellingsafspraken het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de bestuurder handelde als vertegenwoordiger van de nv. daarvoor is van belang wat de advocaat en de bestuurder tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit die verklaringen en gedragingen mochten afleiden. de zaak wordt daarvoor verwezen naar hof den haag.
voor vragen over ondernemingsrecht kun je terecht bij mr. drs. denise van zijl-van hengel,
advocaat arbeids- en ondernemingsrecht | incasso specialist