een van de mogelijkheden met een pbh-lijfrente is het schenken van de lijfrente. óf een ander dan de verzekeringnemer aanwijzen als begunstigde, zonder dat hiermee de lijfrente in zijn geheel wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen. de lijfrentepremie kon bij aankoop tegen het tarief van de verzekeringnemer worden afgetrokken, terwijl de uitkeringen belast worden bij de ontvanger van de uitkeringen (vaak een lager tarief). er is geen schenkbelasting verschuldigd als deze wijziging op de juiste manier wordt vormgegeven. schenken is alleen mogelijk wanneer er wordt uitgekeerd via een verzekeraar. daarnaast zijn er nog enkele fiscale mogelijkheden en regels, die in latere regimes niet meer mogelijk zijn, zoals:

  • er bestond voor 1992 nog niet zoiets als een ‘overbruggingslijfrente’. het was echter wel mogelijk om een lijfrentekapitaal tijdelijk te laten uitkeren, zolang de sterftekans van de verzekerde in de uitkeringsperiode maar 1% of meer was. er gold ook geen maximumbedrag van de termijnen, zoals met de latere overbruggingslijfrente wel het geval was. een dergelijke tijdelijke uitkering moet wel in verzekerde vorm gebeuren (geen bancaire lijfrente).
  • het is mogelijk om de pbh-polis ineens af te kopen, zonder dat er revisierente verschuldigd is. voor alle tegenwoordig ‘verboden handelingen’ geldt dat er voor een pbh-polis geen revisierente verschuldigd is.
  • tegenwoordig moet een tijdelijke of levenslange oudedagslijfrente uiterlijk beginnen met uitkeren op de leeftijd die vijf jaar boven de aow-leeftijd ligt. voor pbh-polissen geldt dat niet.

 

tip

uitkeren van de pbh middels een bancaire lijfrente is altijd tijdelijk. hierbij zijn de belastingregels van het regime wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing. je verliest daarmee wel oude rechten, zoals bijvoorbeeld de mogelijkheid om te schenken of om het kapitaal boetevrij in één keer te laten uitkeren.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief