volgens de rechtbank ontbreekt een factuurwaarde, omdat onderdelen van het totaalpakket, zoals de kosten van de interne dienst, niet door een derde in rekening worden gebracht. daarnaast overweegt de rechtbank het volgende.

 

moet er worden uitgegaan van het normbedrag?
in de wet lb staat dat nadere regels worden gesteld, waardoor de waarde van loon in natura op een lager bedrag kan worden gesteld dan de wev of de factuurwaarde. dat is onder andere gebeurd voor maaltijden op de werkplek, waarbij de waarde wordt gesteld op € 3,35 (2019). de rechtbank gaat hier zeer uitgebreid op in, maar concludeert uiteindelijk dat de waarde van een maaltijd alleen nog op een lager bedrag dan de wev kan worden gesteld. en dus niet op een hoger bedrag.

 

wat is dan de te belasten waarde van de maaltijden?
volgens de rechtbank geldt het normbedrag alléén als de wev hoger is dan het normbedrag van € 3,35 (2019). maar niet alle aan de werknemers in rekening gebrachte bedragen zijn per se gelijk aan de wev. de wev is immers gelijk aan de prijs die een onafhankelijke derde (bijvoorbeeld een cateraar) in rekening zou brengen voor het totaalpakket, inclusief alle servicecomponenten. de werkgever heeft echter onweersproken gesteld dat aan haar werknemers niet alleen de inkoopkosten van de losse componenten en ingrediënten in rekening zijn gebracht, maar ook een opslag om te komen tot de in rekening gebrachte bedragen. de bewijslast dat de waarde hoger moet zijn, ligt bij de belastingdienst. die heeft in wezen niets anders ingebracht dan een verwijzing naar de lunch in een horecagelegenheid, zoals een lunchroom of restaurant. die vergelijking gaat niet echter niet op. de opmerking van de belastingdienst over de indirecte kosten (gebouw, personeel, bereiding) is niet gekwantificeerd. kortom, het normbedrag voor maaltijden is niet van toepassing, omdat de wev lager is. hier komt dan nog de eigen bijdrage van de werknemer op in mindering, zodat er per saldo geen loonvoordeel te belasten is.

 

commentaar
de rechtbank rekent de bereiding van de maaltijden, het bestek en de afwas tot de wev, maar de belastingdienst wilde ook de indirecte kosten (gebouw, personeel, bereiding) tot de wev rekenen. hierbij wordt naar mijn mening over het hoofd gezien dat een voorziening op de werkplek, waarvan het niet gebruikelijk is om deze elders te gebruiken, op nihil moet worden gewaardeerd. hierbij is bijvoorbeeld gedacht aan ‘het genot van de inrichting van de werkplek in brede zin, waaronder het gebruik van de werkplek zelf’. in mijn optiek valt daar ook het inrichten en schoonmaken van de werkplek door de interne dienst onder. het kan dan niet de bedoeling zijn dat de kosten van het bereiden van een maaltijd of die van het gebouw tot de wev van de maaltijd worden gerekend.

 

hans tabak, adviseur loonheffingen | internationaal | trainer, tel. 0575-433555 of e-mail naar h.tabak@fiscount.nl.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief