de betonvlechter moet het bestaan van het ib-ondernemerschap onderbouwen, maar slaagt daar niet in. in deze uitspraak zien we veel van de bekende argumenten voor het bestaan – of juist het ontbreken – van ib-ondernemerschap terug. deze zzp’er werkte bovendien voor slechts één opdrachtgever. op zichzelf hoeft dit echter geen reden te zijn voor het afwijzen van het ib-ondernemerschap. toch rechtvaardigen alle feiten en omstandigheden in deze zaak samen wel de conclusie dat de betonvlechter geen ib-ondernemer is. alle voors en tegens voor het bestaan van ib-ondernemerschap moeten daarom telkens per geval tegen elkaar worden afgewogen. daarbij moeten ze ook in de juiste context worden geplaatst van wat gebruikelijk is in de betreffende branche.