omdat zij soms al in maart en april aanvragen hebben gedaan, komen zij niet in aanmerking voor de bijzondere regeling voor werkmaatschappijen. hiervoor geldt immers de voorwaarde dat aanvraag is gedaan op of na 5 mei 2020. de minister acht dat onwenselijk en wil het mogelijk maken dat deze bedrijven bij de aanvraag tot subsidievaststelling kunnen verzoeken de subsidie op werkmaatschappij niveau vast te stellen. zijn er nog meer voorwaarden?

meer voorwaarden

voorwaarde blijft wel dat de groep waarvan deze bedrijven deel uitmaken als geheel geen 20% omzetdaling heeft. is dat wel het geval dan kan een vaststellingsaanvraag niet worden ingediend op werkmaatschappij niveau.

zoals gezegd vervalt de huidige in de now geldende voorwaarde dat een aanvraag op werkmaatschappij alleen gedaan kan worden als de now-aanvraag is gedaan op of na 5 mei 2020. aan een tweetal andere voorwaarden hoeft pas bij de aanvraag voor de definitieve vaststelling te worden voldaan, in plaats van bij de aanvraag van het voorschot. het gaat om de voorwaarde dat een aanvrager dient te beschikken over een verklaring dat er op het niveau van de groep geen dividend/bonus wordt uitgekeerd of eigen aandelen worden ingekocht over 2020 op het niveau van het groepshoofd/de moeder van de werkmaatschappij tot aan de datum van vaststelling van de jaarrekening. daarnaast gaat het om de voorwaarde dat de aanvrager dient te beschikken over een overeenkomst van de vakbond of andere vertegenwoordiging van werknemers over werkbehoud. natuurlijk moet ook aan de overige eisen van een aanvraag op werkmaatschappijniveau (artikel 6a van de now 1.0 en artikel 7 van de now 2.0) worden voldaan.

 

referentieperiode

bedrijven hebben soms bij de subsidieaanvraag niet dezelfde referentieperiode gekozen voor hun omzetdaling als andere onderdelen van de groep. dit is echter wel noodzakelijk voor de definitieve vaststelling van de subsidie. de minister onderzoekt of hier ook een herstelmogelijkheid kan worden ingevoerd.

 

a20.078 verwijzingsuitspraak over gebruikelijkheidstoets in werkkostenregeling

 

aandelen die om niet worden verstrekt aan een beperkte groep werknemers, kunnen niet worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel voor de werkkostenregeling (wkr). dit heeft hof den haag beslist in een verwijzingsuitspraak. er wordt niet voldaan aan de gebruikelijkheidstoets. het hof baseert zich daarbij op een door de belastingdienst uitgevoerd derdenonderzoek. de hoge raad oordeelde eerder dat de belastingdienst moet bewijzen dat het toekennen van aandelen ongebruikelijk is en verwees de zaak naar hof den haag voor een nieuwe behandeling van de vraag of aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan. hoe oordeelde het hof?

 

lees meer

het hof oordeelt dat niet aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan, maar wat waren daarbij de overwegingen? de stelling van de werkgever – dat de omvang van de verstrekkingen geen rol mag spelen bij de gebruikelijkheidstoets – is onjuist. immers, de aangewezen verstrekkingen mogen niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is in voor het overige overeenkomstige omstandigheden. bij de gebruikelijkheidstoets gaat het ook niet alleen om de gebruikelijkheid van de aanwijzing van de waarde die verbonden is aan de bonusaandelen. het moet ook gebruikelijk zijn dat de werkgever de belasting en premies voor zijn rekening neemt door middel van de eindheffing. het hof nam onderstaande overwegingen mee bij het oordeel:

  • intern onderzoek belastingdienst: volgens de inspecteur blijkt uit navraag bij collega-inspecteurs dat het toekennen van een netto aandelenbonus niet voorkomt – en dus niet gebruikelijk is. het hof gaat hier niet in mee, want al is een dergelijke aanwijzing onbekend bij de belastingdienst, dan nog laat dit onverlet dat werkgevers een dergelijk loonbestanddeel hebben verstrekt en aangewezen.
  • gebruikelijkheid binnen het concern: het is niet gebleken dat andere werknemers binnen het concern recht hebben op dezelfde soort loonbestanddelen, in dezelfde orde van grootte en dat deze ook netto worden verstrekt en aangewezen als eindheffingsbestanddeel.
  • gebruikelijkheid bij andere bedrijven: de belastingdienst heeft 88 bedrijven een vragenlijst toegezonden. het hof oordeelt dat de uitkomsten van dit derdenonderzoek bruikbaar zijn om te bepalen of aan de gebruikelijkheidstoets wordt voldaan. de uitvraag is voldoende representatief. uit de antwoorden komt naar voren dat maar één bedrijf/concern bonussen heeft verstrekt, waarbij deze verstrekking is aangewezen voor de toepassing van de werkkostenregeling. die bonusregeling is echter wat betreft de omvang van de netto verstrekking niet vergelijkbaar (de bedragen zijn beperkt van € 500 tot € 1.250) met de bonussen die de werkgever in kwestie aan haar werknemers verstrekt.

geen netto-voordeel

de werkgever stelt dat het al jarenlang gebruik is dat netto-aandelen aan de betreffende werknemers worden verstrekt en dat er voor de werknemers geen netto-voordeel is verbonden aan de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel. deze stelling is volgens het hof niet juist. in de eerste plaats niet, omdat de werkgever in de jaren vóór 2012 de om niet toegekende aandelen bij de betreffende werknemers individueel heeft verloond. in de tweede plaats omdat de werkgever een tariefvoordeel behaalt, door het eindheffingstarief van 80% toe te passen in plaats van 108,3%.

het hof verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag 2012 ongegrond en handhaaft de naheffingsaanslag 2013.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief