ambtshalve casseert de hoge raad de hofuitspraak wel. het is (gelet op artikel 6, lid 2 van het evrm) voor het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit namelijk niet voldoende dat de inspecteur de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden aannemelijk maakt. hij moet deze overtuigend aantonen (doen blijken). dat is dus anders dan waarvan het hof is uitgegaan.

verwijzingsopdracht
met het oog op de verwijzingsprocedure merkt de hoge raad nog het volgende op. in het kader van de vraag of de vennootschap de vereiste aangifte heeft gedaan, heeft het hof overwogen dat de vennootschap ‘zich ervan bewust moet zijn geweest’ dat te weinig belasting zou worden geheven. in het verband van ‘de vereiste aangifte’ geldt dat ‘zich ervan bewust moest zijn’ niet hetzelfde betekent als ‘weten’. ook als de aangifteplichtige niet wist (en zich er dus ook niet van bewust was) dat door inhoudelijke gebreken in zijn aangifte een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, had hij zich daarvan in de gegeven omstandigheden wel bewust moeten zijn. hij had dit behoren te weten. onduidelijk is of het hof deze maatstaf voor ogen heeft gehad.

de vaststelling wat de aangifteplichtige omtrent de juistheid van zijn aangifte had behoren te weten, is onvoldoende om te oordelen dat hij met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld. daarvoor moet vaststaan: a) dat hij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven; en b) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

tip
wil je meer weten over fiscale boetes? informeer dan bij fiscount naar de mogelijkheden om een (inhouse)cursus over dit onderwerp te volgen.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief