hof arnhem-leeuwarden heeft geoordeeld dat de navorderingsaanslag over 2010 te laat is opgelegd, omdat geen rekening moet worden gehouden met het verleende uitstel voor indiening van de aangifte. die aangifte was namelijk al ingediend toen het uitstel werd gevraagd. de hoge raad zet uiteen dat de op verzoek genomen beslissing (om een nadere termijn te stellen voor het indienen van de aangifte) een uitstel is in de zin van art. 16, lid 3, van de awr. oók indien later zou blijken dat met dat uitstel geen belang kon worden gediend, omdat de aangifte al was gedaan. art. 16, lid 3, van de awr brengt ook dan mee dat de termijn waarbinnen de inspecteur kan navorderen wordt verlengd met de duur waarvoor het uitstel is verleend. dit betekent dat de navorderingsaanslag ib/pvv 2010 tijdig is opgelegd.

 

boeten

het hof heeft geoordeeld dat de boeten voor 2011 en 2012 terecht zijn opgelegd. hiertegen komt de man met succes in (incidenteel) cassatie. uitgangspunt is dat wanneer een belastingplichtige zich laat bijstaan door een deskundige adviseur, er geen aanleiding is om de algemene eis aan de belastingplichtige te stellen dat hij of zij zich ook zelf verdiept in de inhoudelijke aspecten van de belastingregelingen die op hem/haar van toepassing zijn. het hof is ervan uitgegaan dat belanghebbende alle benodigde informatie voor de aangifte heeft verstrekt aan de adviseur. hierdoor ontbreekt de grond voor het oordeel dat de man bij de samenwerking met de toenmalige adviseur niet zorgvuldig genoeg heeft gehandeld. noch dat hij niet mocht vertrouwen op de juistheid van de aangiften die de adviseur voor hem had opgesteld. het feit dat de man wist dat de inkomsten uit de pgb’s belastbaar waren, wil nog niet zeggen dat hij ook had moeten signaleren dat inkomsten in de door de adviseur opgemaakte aangiften afweken van de informatie die de man had verstrekt.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief