de hoge raad beantwoordde de prejudiciële vraag als volgt: ‘voor een persoon die slechts gedurende een deel van het jaar binnenlands belastingplichtig is geweest en de rest van het jaar in het geheel niet belastingplichtig is geweest in nederland, moeten het inkomstenbelasting- en premiedeel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack), en het premiedeel van de algemene heffingskorting, ook onder de met ingang van 2019 geldende wettelijke regeling, uitsluitend worden berekend op basis van het arbeidsinkomen respectievelijk het belastbare inkomen uit werk en woning dat is genoten in de periode van binnenlandse belastingplicht.’
de rechtbank heeft op grond van dit oordeel de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de iack op basis van het binnenlandse inkomen naar boven bijgesteld.