de roemeense belastingdienst stelt dat de duitse nv een vaste inrichting heeft in roemenië en dat de roemeense bv daarom wel degelijk btw-plichtig is in roemenië. de bv krijgt daarom een naheffingsaanslag roemeense btw opgelegd. de roemeense rechter beslist dat eerst moet vaststaan of er wel sprake is van een vaste inrichting en stelt hierover prejudiciële vragen aan het eu-hof van justitie. dit hof heeft een helder antwoord. het eu-hof stelt eerst vast dat de duitse nv een dochter-bv heeft in een andere staat dan haar vestigingsstaat en dat deze dochter-bv personeel en technische middelen aan haar ter beschikking stelt. vervolgens stelt het eu-hof vast dat dit gebeurt in het kader van overeenkomsten, waarbij de dochter-bv de reclame-, informatie- en promotiediensten uitsluitend voor de nv verricht. deze diensten kunnen haar verkoopvolume direct beïnvloeden. onder deze omstandigheden heeft de nv géén vaste inrichting in roemenië.