de rechtbank baseert haar oordeel op de wetsgeschiedenis van de regeling (artikel 4.53, lid 3 wet ib 2001). daaruit blijkt dat de wetgever de formalisering van de vaststelling van het onverrekende ab-verlies en de belastingkorting in één voor bezwaar vatbare beschikking heeft willen samenvoegen. daarbij wordt eerst het onverrekende ab-verlies vastgelegd, waarna de belastingkorting (25%) wordt vastgesteld. de wettelijke regeling schrijft niet voor dat het ab-verlies al op een eerder moment moet zijn vastgesteld.