de volgende feiten en omstandigheden zijn van belang voor het oordeel dat er sprake is van een onzakelijke borgstelling op het moment van het aangaan van de borgstellingovereenkomst:

  • de werk-bv’s drijven een kapitaalintensieve onderneming en hadden een negatief eigen vermogen;
  • de dga heeft zich voorafgaand aan de borgstelling niet vergewist van de bestaande resultaatprognoses;
  • de borgstelling is niet schriftelijk vastgelegd;
  • er zijn geen zekerheden bedongen (dat was ook niet mogelijk, omdat de zekerheden die de werk-bv’s zouden kunnen aanbieden al aan de bank waren verstrekt);
  • er zijn geen voorwaarden gesteld waaronder de borgstellingsovereenkomst zou eindigen.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief