nadat de rechtbank en het hof de man in het gelijk hadden gesteld, trekt de heffingsambtenaar bij de hoge raad aan het langste eind. de hoge raad stelt vast dat het bezwaarschrift zich keert tegen ‘de aanslag gemeentelijke heffingen’ zonder nadere specificatie tegen welke heffing het bezwaar is gericht en zonder motivering. hierdoor is niet voldaan aan de inhoudelijke eisen die de wet (artikel 6:5, lid 1, letter c en d awb) stelt aan een bezwaarschrift. de heffingsambtenaar heeft de man vervolgens de gelegenheid geboden om binnen een bepaalde termijn dit verzuim te herstellen. toen dit herstel uitbleef, heeft hij het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. daarmee heeft de heffingsambtenaar voldaan aan de voorwaarden die de wet (artikel 6:6 awb) verbindt aan de niet-ontvankelijkverklaring.