de vennootschap komt terecht op tegen het oordeel van het hof over verlenging van de redelijke termijn. de uitbraak van het coronavirus in 2020 is in algemene zin geen bijzondere omstandigheid, die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. dat is alleen het geval indien partijen waren uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in de periode waarin de gerechtsgebouwen in verband met de uitbraak van dit virus waren gesloten (17 maart 2020 t/m 10 mei 2020) en het onderzoek ter zitting daarom opnieuw moest worden gepland. daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. het oordeel van het hof getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting. de hoge raad doet de zaak op dit punt af. de vennootschap heeft recht op een immateriële schadevergoeding van € 500.

proceskostenvergoeding
de vennootschap heeft ook recht op een proceskostenvergoeding. tot 1 juli 2021 was de forfaitaire proceskostenvergoeding voor alle belastingprocedures gelijk. per die datum is de proceskostenvergoeding verhoogd (€ 759 per punt in plaats van € 541 per punt), behalve voor bepaalde procedures over de bpm en wet woz. de hoge raad oordeelt dat deze bijzondere regel voor procedures over de bpm en de wet woz in strijd is met het grondwettelijke discriminatieverbod. voor het sinds 1 juli 2021 gemaakte verschil in behandeling bestaat geen objectieve en redelijke rechtvaardiging. daarom moet de per 1 juli 2021 verhoogde proceskostenvergoeding ook gelden voor de onderhavige bpm-procedure.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief