het hof stelt naast de negatieve vermogens vast dat :
- de tweede borgstelling niet schriftelijk is vastgelegd;
- de dga, de holding-bv en de dochter-bv geen borgstellingsvergoeding zijn overeengekomen;
- er geen zekerheden zijn gesteld;
- de aansprakelijkstelling zowel de oude als de nieuwe schulden betreft, zonder dat er een einddatum is overeengekomen.
het hof concludeert op grond van het bovenstaande dat de dga de tweede borgstelling is aangegaan vanuit aandeelhoudersmotieven, waardoor dit zich afspeelt in de kapitaalsfeer. de regresvordering kan de dga dan niet aftrekken van zijn inkomen.