Een rechtspersoon die is ontbonden door opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten, houdt op te bestaan. De vordering van de bank eindigt daarmee echter niet. Blijkt er toch nog een bate te bestaan, dan kan de vordering van de bank daarop worden verhaald. De bank verzoekt daartoe de rechtbank om de vereffening te heropenen. Om te voorkomen dat deze verhaalsmogelijkheid verloren gaat door verjaring tijdens het niet bestaan van de rechtspersoon, loopt de verjaringstermijn door zolang de vereffening van de rechtspersoon niet is heropend. Omdat er tot het moment van deze uitspraak van de Hoge Raad geen bate blijkt te bestaan – en de vereffening dus niet is heropend – loopt de verjaringstermijn van de vordering door. De heropening van de vereffening zelf is dus geen voorwaarde voor het doorlopen van de verjaringstermijn. Daarom hoeft de verjaringstermijn op een vordering van een niet meer bestaande rechtspersoon niet te worden gestuit tijdens de periode dat de rechtspersoon niet meer bestaat. Omdat de vordering blijft bestaan, kan ook de borg nog worden aangesproken op grond van de borgtocht.

Verjaringstermijn bij heropening

Is de vereffening wel heropend, dan loopt de verjaringstermijn nog door tot zes maanden na de heropening. De rechtspersoon herleeft dan weer om de heropende vereffening af te wikkelen.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief