De provisieregeling hield in dat de werknemer aanspraak kon maken op een provisie indien er – per kalenderjaar – aan honoraria meer dan het drempelbedrag werd gerealiseerd. Het recht op provisie was dan 50% van de honoraria boven dat drempelbedrag. Gedurende het jaar worden 3 voorschotten uitgekeerd. Het definitieve bedrag wordt definitief in februari van elk kalenderjaar vastgesteld. Het dienstverband eindigt op 1 oktober, waardoor het provisiebedrag over het derde kwartaal tot en met 30 september pas later in het jaar definitief wordt berekend en uitgekeerd. De werkgever neemt dat later – na einde dienstverband – uitgekeerde bedrag mee in de transitievergoeding.
Standpunt UWV
Het UWV gaat daar niet in mee. Zij beroept zich op artikel 2 lid 3 van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding. De kernvraag is of er sprake moet zijn van ‘verschuldigd zijn’ – en dus opeisbaar zijn – van dit deel van de transitievergoeding in de 12 maanden voorafgaand aan het einde van het dienstverband (de referteperiode). Met andere woorden: moet je bij de berekening alleen kijken naar wat er daadwerkelijk is betaald in of over de referteperiode?
Uitkomst
De meervoudige kamer van de CRvB geeft uitsluitsel. Het moment van uitkeren is in zekere zin arbitrair en kan dus niet doorslaggevend zijn. Als maatstaf wordt gehanteerd welke aanspraak over de referteperiode is ontstaan en welk pas na de referteperiode wordt uitgekeerd. De aanspraak gaat over de variabele looncomponenten, die afhankelijk zijn van de uitkomsten van de verrichte arbeid. De werkgever krijgt gelijk en kan daardoor een bedrag van circa € 17.000 toevoegen aan zijn pensioengelden.