De inspecteur stelt dat de moeder-bv in 2019 ten onrechte de kwijtscheldingswinstvrijstelling heeft toegepast op haar aandeel in de kwijtgescholden schuld van de vof. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de moeder-bv recht heeft op de kwijtscheldingswinstvrijstelling binnen de FE. Rechtbank Den Haag stelt vast dat de kwijtscheldingswinstvrijstelling op grond van artikel 3.13 Wet IB 2001 pas van toepassing is voor zover de kwijtscheldingswinst de som van de verrekenbare verliezen en de jaarwinst overtreft.
In samenhang met artikel 15ac Wet Vpb 1969 geldt de kwijtscheldingswinstvrijstelling niet bij de bepaling van de winst van een FE. Tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de moeder-bv die de kwijtscheldingswinst heeft genoten, aanspraak op de vrijstelling had gehad als zij niet in FE was gevoegd. Daarbij gaat het om de vraag óf – en zo ja in hoeverre – verrekenbare verliezen dan aan de toepassing van de vrijstelling in de weg hadden gestaan. De moeder-bv zal aannemelijk moeten maken in hoeverre er geen sprake is van verrekenbare verliezen, als zij geen deel zou hebben uitgemaakt van de FE.
Verrekenbare verliezen
De moeder-bv stelt dat zij bij bepaling van haar zelfstandige winst in 2019 geen verrekenbare verliezen heeft uit eerdere jaren. Daarbij laat zij de dotatie aan de HIR buiten aanmerking. De winst is daardoor € 831.936 in 2018. De daarvóór geleden en nog niet verrekende verliezen zijn daarmee geheel verrekend, zodat er in 2019 geen verrekenbare verliezen resteren. De rechtbank oordeelt dat de dotatie aan de HIR bij het bepalen van de zelfstandige winst wél moet worden toegerekend aan de moeder-bv, omdat zij de boekwinst realiseert. In dat geval resteren er wel verrekenbare verliezen die de toepassing van de kwijtscheldingswinstvrijstelling blokkeren.