hier speelt de problematiek van de vergoedingsvorderingen (zie bw 1:87). het hangt er maar van af of pieter en koosje wel of niet iets zijn overeengekomen over de terugbetaling van deze meerinbreng. is dat gebeurd, dan ligt het voor de hand dat in de leenovereenkomst is opgenomen dat koosje het nominale bedrag van de meerinbreng te zijner tijd moet terugbetalen. de uitkomst is dan dat koosje 50% krijgt van de resterende meerwaarde van € 200.000, ofwel € 100.000. pieter ontvangt zijn inbreng van € 100.000 helemaal terug plus 50% van de resterende overwaarde, in totaal dus € 200.000.

is er niets vastgelegd over de terugbetaling maar is de meerinbreng wel bewijsbaar? dan kan pieter de regeling van de vergoedingsvordering (bw 1:87) toepassen. hij krijgt dan meer en koosje minder. immers, van de koopsom van € 300.000 heeft hij € 200.000 ofwel 66,66% gefinancierd, en daarmee heeft hij een economisch belang in de woning verkregen van eveneens 66,66%. bij verkoop komt hem dus ook 66,66% van de verkoopopbrengst toe, stel € 500.000 * 66,66% = € 333.333. na aflossen van zijn deel van de lening resteert voor hem € 233.333. koosje ontvangt 33,33%, ofwel € 166.666, waarvan na aflossing van haar deel van de lening € 66.666 resteert.

tip
speelt een vergelijkbare situatie bij jouw cliënt(en)? bespreek dan het issue van de vergoedingsvorderingen op voorhand. dan kun je immers nog bijsturen naar gelang de wensen van beiden.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief