Het hof meent (anders dan de inspecteur) dat de cumulatie van vereisten in artikel 3.6, lid 2, Wet IB 2001 met zich meebrengt dat alleen wanneer er wordt voldaan aan beide daarin genoemde vereisten, de werkzaamheden niet in aanmerking worden genomen voor het urencriterium. Deze vereisten luiden als volgt:

  • de werkzaamheden zijn hoofdzakelijk van ondersteunende aard; en
  • het samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen is ongebruikelijk.

Volgens het hof is voor de toepassing van het urencriterium voldoende dat ófwel de werkzaamheden niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn, ófwel het samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen niet ongebruikelijk is.

Niet ongebruikelijk samenwerkingsverband
Het hof vindt het voldoende aannemelijk dat in vergelijkbare autobedrijven een samenwerkingsverband zoals dat bestaat tussen de vrouw en haar echtgenoot, ook voorkomt tussen niet-verbonden personen – er daarbij vanuit gaand dat er binnen het samenwerkingsverband sprake is van een vergelijkbare winstverdeling en een vergelijkbare verdeling van de werkzaamheden. Volgens het Hof moet daarom worden geoordeeld dat een samenwerkingsverband als dat tussen X en haar echtgenoot tussen niet-verbonden personen niet ongebruikelijk is.

Het hof komt vervolgens niet meer toe aan een beoordeling van de vraag of de werkzaamheden hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn. De correcties met betrekking tot de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling worden teruggedraaid. Het urencriterium is overigens met ingang van 2010 niet meer relevant voor de toepassing van de MKB-winstvrijstelling.

Bron: ECLI:NL:GHSHE:2016:4810

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief