Het klinkt logisch dat de ouders de immateriële schade die hun zoon heeft geleden, kunnen vorderen van de daders. Gevoelsmatig zou dat zo moeten zijn. En het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft dat ook zo geoordeeld. De vordering van de immateriële schade die erflater heeft geleden, gaat door middel van vererving over op zijn erfgenamen (zijn ouders). De daders gaan echter naar de Hoge Raad.
Wat is de immateriële schade?
De Hoge Raad beoordeelt eerst wat de immateriële schade in dit geval is. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat smartengeld een hoogstpersoonlijk recht is, dat verband houdt met door de benadeelde zélf ervaren pijn, verdriet, verlies aan levensvreugde of geschokt rechtsgevoel.
Vervolgens zegt de Hoge Raad dat in een geval waarin het slachtoffer door een geweldsdelict onmiddellijk en blijvend het bewustzijn verliest en tot zijn overlijden niet meer bijkomt, hij zich niet bewust kan zijn van zijn toestand, geen kennis kan nemen van het hem toegebrachte leed en dat leed dus ook niet persoonlijk kan ervaren. Dan is er geen sprake van immateriële schade en ontstaat er dus geen vordering tot smartengeld. En als er geen recht ontstaat, kan dat ook niet vererven.
De door het hof toegewezen vererfde immateriële schadevergoeding wordt afgewezen en kan niet overgaan op de erfgenamen. Hoe onredelijk dat ook voelt.