De rechtbank geeft aan dat aan twee voorwaarden moet zijn voldaan om op grond van artikel 29 Wet OB in aanmerking te komen voor btw-teruggaaf:

  1. de ondernemer moet aannemelijk maken dat hij of zij de btw heeft afgedragen; én
  2. er is sprake van niet-betaling van een in rekening gebrachte vergoeding.

De ondernemer overlegt geen stukken waaruit blijkt dat hij in het verleden de btw op een factuur van € 91.482 heeft voldaan. Daardoor voldoet hij niet aan de eerste voorwaarde voor btw-teruggaaf op grond van artikel 29 Wet OB. De inspecteur heeft het teruggaafverzoek dan ook terecht afgewezen.

Tip
Heeft je klant een afnemer die een factuur niet betaalt en staat vast dat hij/zij ook niet meer gaat betalen? In dat geval kan de al afgedragen btw worden teruggevraagd bij de Belastingdienst. Dat is bijvoorbeeld aan de orde als de afnemer failliet is gegaan. Maar je klant hoeft daarop niet te wachten. De afgedragen btw moet namelijk uiterlijk worden teruggevraagd 1 jaar na de opeisbaarheid van de vordering. Als dat moment dus eerder is dan bijvoorbeeld het faillissement van de afnemer, moet je klant de btw dan al terugvragen. Hij/zij doet dat in de btw-aangifte over het aangiftetijdvak waarin het teruggaafrecht is ontstaan. Teruggaaf in een later tijdvak is niet mogelijk.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief