Deze zaak speelde in 2010 en 2011. Op 1 januari 2017 is er echter het een en ander gewijzigd ten aanzien van de teruggaaf van btw op oninbare vorderingen. Sindsdien ontstaat het recht op btw-teruggaaf in ieder geval voor zover de vergoeding één jaar na opeisbaarheid geheel of gedeeltelijk nog niet is ontvangen. De btw mag in mindering worden gebracht in de reguliere btw-aangifte. Er hoeft dus geen teruggaafverzoek meer te worden ingediend.
Krijgt uw cliënt de vordering op een later tijdstip alsnog betaald, dan wordt hij/zij de btw weer verschuldigd. De tegenhanger van de teruggaaf is dat de afnemer de in aftrek gebrachte btw weer verschuldigd wordt, als hij/zij de uitgereikte factuur met btw niet heeft betaald. De afnemer wordt dit bedrag in ieder geval weer verschuldigd één jaar na opeisbaarheid van de vergoeding. Betaalt de afnemer op een later tijdstip alsnog, dan krijgt hij/zij alsnog de betaalde btw terug.
Overgangsregeling
Er is een overgangsregeling getroffen voor op 1 januari 2017 bestaande vorderingen, waarvoor op grond van de oude btw-regels nog geen recht op teruggaaf bestond wegens oninbaarheid. Voor deze vorderingen begon op 1 januari 2017 de 1-jaarstermijn te lopen. Er kan voor deze vorderingen dus in ieder geval btw-teruggaaf worden verkregen per 1 januari 2018, als de vergoeding dan nog niet is betaald. Voor de afnemers is de 1-jaarstermijn voor niet betaalde facturen al in werking getreden op 1 januari 2016.