de antimisbruikbepaling in de moeder-dochterrichtlijn (mdr) staat toe dat een lidstaat aan een moedermaatschappij geen deelnemingsvrijstelling verleent voor dividenden van een dochteronderneming in een andere lidstaat als die dochteronderneming een kunstmatige constructie is. dit oordeelt het hof. de litouwse rechter stelde de volgende vragen aan het europees hof:

  1. mag een lidstaat de vrijstelling weigeren als de dochtermaatschappij geen doorstroomvennootschap is, maar toch als kunstmatige constructie wordt gezien?
  2. mag alleen gekeken worden naar de situatie op het moment van dividenduitkering?
  3. is de kwalificatie als kunstmatige constructie voldoende om misbruik aan te nemen?

antwoorden hof

ad 1) ja, volgens het hof mag een lidstaat de vrijstelling weigeren als er sprake is van een kunstmatige constructie zonder geldige zakelijke redenen, opgezet met als (hoofd)doel een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel van de richtlijn ondermijnt
ad 2) nee, de beoordeling mag niet beperkt blijven tot het moment van dividenduitkering. ook eerdere omstandigheden moeten worden meegewogen.
ad 3) nee, de enkele kwalificatie als kunstmatige constructie is niet voldoende. er moet ook sprake zijn van een subjectief element: het doel om een belastingvoordeel te verkrijgen dat indruist tegen de richtlijn.

het hof geeft in deze casus geen oordeel maar laat de toetsing over aan de rechter in litouwen.

let op: bij de introductie van de antimisbruikbepaling in de mdr werd aangegeven dat deze antimisbruikbepaling géén invloed zou hebben op de nationale deelnemingsvrijstellingen. de europese rechter heeft daar nu dus anders over geoordeeld.

neem voor vragen contact op met raymond terpstra, internationaal fiscalist.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief