De paardentak hoort volgens de rechtbank niet bij de onderneming van de boer in tegenstelling tot de akkerbouwtak. Daardoor is met de verkoop van het pluimveebedrijf sprake van een gedeeltelijke staking. Het akkerbouwbedrijf blijft immers voortbestaan. Daarmee wordt de boer ook de mogelijkheid ontnomen om de stille reserves uit zijn pluimveebedrijf geruisloos door te schuiven naar een nieuw op te starten (paarden)bedrijf. De doorschuiffaciliteit van artikel 3.64 Wet IB 2001 geldt ‘in tegenstelling tot andere doorschuiffaciliteiten’ alleen bij een gehele staking van de onderneming.
Doorprocederen niet kansloos
Het instellen van hoger beroep is op voorhand niet kansloos. De boer kan wellicht de stelling innemen dat ook het akkerbouwbedrijf geen onderdeel uitmaakt van zijn gehele onderneming, maar dat dit een zelfstandige onderneming vormt naast het pluimveebedrijf. Daarmee zou wel sprake zijn van een staking van een hele onderneming (het pluimveebedrijf). Toepassing van artikel 3.64 Wet IB 2001 zou dan tot de mogelijkheden kunnen behoren. Wellicht heeft de adviseur van de boer deze paardensprong ook bedacht…