materiële onderneming dreef, geen eigen kantoorruimte had en geen werknemers in dienst had. zonder gebruik van de bvba zouden de natuurlijke personen als aandeelhouders 15% dividendbelasting verschuldigd zijn.
in de andere zaak is de conclusie enigszins verrassend. in die casus werd wel een materiële onderneming gedreven, maar de dividend uitkerende vennootschap behoorde niet tot het ondernemingsvermogen van de belgische holding. de belgische nv had geen enkele bemoeienis met de uitkerende bv. belanghebbende heeft volgens het hof vervolgens niet aannemelijk kunnen maken dat er toch geen sprake was van een kunstmatige constructie. de omstandigheden dat belanghebbende al lang bestond en ter zake van andere – door haar actief gehouden – belangen wel degelijk substance heeft, significante kosten maakt en mogelijk geen doorsnee doorstroomvennootschap is, is niet relevant volgens het hof. volgens de a-g is dit oordeel op de juiste wijze tot stand gekomen.
tip
er wordt met grote belangstelling uitgekeken naar een uitspraak van de hoge raad. tot die tijd zal men de positie van de aandeelhouder goed moeten onderzoeken om te bezien of de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting kan worden toegepast.