volgens de oostenrijkse belastingdienst is het onroerend goed voor de btw als vaste inrichting aan te merken. zodoende is de vennootschap verplicht om zelf btw te berekenen en op de btw-aangifte af te dragen. belanghebbende bestrijdt dit; volgens hem moet de btw-heffing wegens het ontbreken van een vaste inrichting worden verlegd naar de oostenrijkse huurders.

het hof van justitie eu (verder: hvj eu) oordeelt dat voor een vaste inrichting sprake moet zijn van een voldoende mate van duurzaamheid en een – wat personeel en technisch materieel betreft – geschikte structuur om een zelfstandige verrichting van de betrokken diensten mogelijk te maken. een structuur zonder eigen personeel kan dus niet als vaste inrichting worden aangemerkt. aangezien belanghebbende in oostenrijk enkel een vastgoedbeheerder heeft ingehuurd voor bepaalde beheerstaken en verder alle belangrijke beslissingen over de verhuur van het betrokken onroerend goed zelf neemt, vormt het onroerend goed volgens het hvj eu geen vaste inrichting.

commentaar

de uitspraak is wel in overeenstemming met de huidige praktijk in nederland. zo neemt de staatssecretaris in zijn besluit het standpunt in dat bijvoorbeeld een vakantiewoning in nederland die al dan niet via een zelfstandige tussenpersoon wordt verhuurd, op zichzelf niet als een vaste inrichting kan worden beschouwd. buitenlandse ondernemers die in nederland enkel vastgoed verhuren, hoeven zich dan ook niet in nederland voor de btw te registreren. ook niet als zij met hun huurder(s) hebben geopteerd voor een btw-belaste verhuur. de btw-heffing wordt dan namelijk verlegd naar de betreffende huurder(s).

heb je vragen over de kwalificatie vaste inrichting in het kader van de btw-heffing, neem dan contact op met roger klinkeberg, r.klinkeberg@fiscount.nl of (038) 45 61 900.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief