de hoofdregel is als volgt: wanneer de bank schuldeiser en schuldenaar is van een gefailleerde, mag zij haar schuld met haar vordering verrekenen. voorwaarde daarbij is dat de schuld en de vordering op de gefailleerde zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen met de gefailleerde vóór de faillietverklaring. er wordt hierop echter een uitzondering gemaakt op grond van artikel 54 faillissementswet. dit artikel staat aan de verrekening in de weg als de bank een vordering op of een schuld aan de gefailleerde vóór de faillietverklaring heeft overgenomen van een derde, maar daarbij niet te goeder trouw heeft gehandeld.
volgens de curator van de gefailleerde heeft de bank vanaf 12 maart 2018 niet meer te goeder trouw gehandeld. dat wil zeggen dat toen de situatie ontstond, waarin de ongerechtvaardigde bevoordeling ten opzichte van andere schuldeisers is ontstaan.