de subjectieve vpb-vrijstelling voor (met name) verenigingen en stichtingen met bijkomende commerciële activiteiten kent twee winstgrenzen. de eerste winstgrens ligt bij € 15.000 per jaar en de tweede winstgrens ligt bij € 75.000 in een jaar en de vier voorafgaande jaren tezamen. beide grenzen zijn volgens het hof absolute grenzen. de vereniging bestaat minder dan vijf jaar. zij kan daarom al niet voldoen aan de vereiste van de tweede winstgrens van € 75.000 voor het jaar en de vier voorafgaande jaren. de vereniging weet namelijk niet wat haar winst in het vierde en vijfde jaar zal zijn. dat betekent dat zij in 2012 aan de eerste winstgrens van € 15.000 moet voldoen. daar voldoet zij niet aan.

ook de benadering van de inspecteur helpt haar niet, omdat zij ook op grond van de pro-rata-benadering niet onder de winstgrens van € 45.000 blijft. deze tegemoetkoming is overigens niet gebaseerd op de wet, maar op het besluit van 19 september 2018, nr. 2018-155144.

 

tip

een vereniging of stichting die voldoet aan de vereisten voor de vpb-vrijstelling, kan er ook baat bij hebben om juist wel als vpb-plichtig te worden aangemerkt. zij heeft bijvoorbeeld nog een verrekenbaar verlies. de vereniging of stichting kan de inspecteur dan verzoeken om de vrijstelling buiten toepassing te laten. zij is dan wel vijf jaar aan deze keuze gebonden.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief