het hof baseert zijn oordeel op de volgende overwegingen:

  • de echtgenote heeft in haar ib-aangifte niets vermeld over (de aan- en verkoop van) het pand en de terbeschikkingstelling. hierdoor was er voor de inspecteur geen aanleiding voor een onderzoek buiten haar dossier, bijvoorbeeld in het dossier van de dga. ook hoefde hij niet de resultaten af te wachten van het boekenonderzoek bij de dga;
  • de inspecteur had geen duidelijkheid over het huwelijksgoederenregime tussen de echtgenote en de dga. zij zijn in gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd. het is niet aannemelijk dat dit huwelijksgoederenregime aan de orde is geweest tijdens een bespreking met de belastingdienst.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief