rechtbank gelderland oordeelt dat de vennootschap wel degelijk aannemelijk moet maken dat zij in 2018 op balansdatum een herinvesteringsvoornemen had. zij schiet hierin tekort. het directiebesluit waarin de opdracht tot het zoeken naar een vervangend pand is vastgelegd, volstaat niet. er ontbreken namelijk bewijsstukken die dit voornemen ondersteunen. zo zijn er geen vastleggingen van contacten met makelaars of van biedingen die er namens haar zijn gedaan. de rechtbank acht het bovendien onwaarschijnlijk dat van contacten met derden geen enkele schriftelijke vastlegging in e-mails, agenda of anderszins beschikbaar is.
hoe zit het ook alweer?
de hoge raad oordeelde in 2022 dat het voor de vorming van een hir niet vereist is dat het herinvesteringsvoornemen in het jaar van de vervreemding van het bedrijfsmiddel kan worden gerealiseerd. maar het voornemen moet wel gedurende de gehele 3-jaarstermijn aantoonbaar reëel zijn. als tijdens deze periode redelijkerwijs niet te verwachten is dat de voorgenomen herinvestering zal kunnen plaatsvinden, dan moet de hir vrijvallen. om aannemelijk te maken dat een herinvesteringsvoornemen bestaat, is het dan ook verstandig om concrete bewijsstukken te verzamelen, waaruit de ondernomen activiteiten blijken voor het vinden van een vervangende investering.