de hoge raad heeft geoordeeld dat ook voor de vraag of de bestuurder in eigen naam of als vertegenwoordiger contractspartij is, de haviltex-norm moet worden gehanteerd. ook kan het voorkomen dat de contractspartij in de loop van de overeenkomst van identiteit is veranderd. steeds wordt de vraag gesteld wat partijen over een weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden. pas nadat de inhoud en de identiteit van de contractspartijen zijn vastgesteld, komt de hoge raad toe aan de kwalificatie van de overeenkomst.
pachtovereenkomst of niet?
in deze zaak ging het om beantwoording van de vraag of de betreffende overeenkomst een overeenkomst van pacht was. hiervoor werd de inhoud vergeleken met de wettelijke definitie van de pachtovereenkomst. in dit geval kwam de hoge raad – anders dan het hof – tot het oordeel dat er inderdaad een overeenkomst van pacht was. het hof had beslissend geacht dat de overeenkomst ten tijde van de totstandkoming niet schriftelijk was aangegaan, terwijl dit voor een pachtovereenkomst wel is vereist. bovendien had het hof betekenis toegekend aan de aanhef van de later ondertekende stukken. de hoge raad oordeelt dat deze aspecten niet van belang zijn voor het de kwalificatie van de overeenkomst.