de inspecteur in deze zaak is bij de berekening van de heffingskortingen uitgegaan van het wereldinkomen van de vrouw in het gehele jaar 2020. volgens de vrouw behoort het door haar in de buitenlandse periode genoten loon niet tot het arbeidsinkomen en ook niet tot het belastbare inkomen uit werk en woning.

de hoge raad beantwoordt de prejudiciële vraag als volgt: ‘voor een persoon die slechts gedurende een deel van het jaar binnenlands belastingplichtig is geweest en de rest van het jaar in het geheel niet belastingplichtig is geweest in nederland, moeten het inkomstenbelasting- en premiedeel van de arbeidskorting en de iack, en het premiedeel van de algemene heffingskorting, ook onder de met ingang van 2019 geldende wettelijke regeling, uitsluitend worden berekend op basis van het arbeidsinkomen respectievelijk het belastbare inkomen uit werk en woning dat is genoten in de periode van binnenlandse belastingplicht.’

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief