voorwaarde voor het bestaan van een fiscale eenheid voor de btw is dat de betrokken ondernemingen financieel, organisatorisch en economisch nauw met elkaar verweven zijn. deze aspecten van verwevenheid moeten in hun onderlinge samenhang worden beoordeeld. de bv in deze zaak procedeert door tot aan de hoge raad. in zijn uitspraak gaat de hoge raad met name in op de organisatorische en financiële verwevenheid van ondernemingen.

 

organisatorische verwevenheid
voor het bestaan van organisatorische verwevenheid is vereist dat:

  1. de betrokken personen onder gezamenlijke, althans als een eenheid functionerende, leiding staan; of
  2. de leiding van de ene persoon ten opzichte van die van de andere persoon in een positie van feitelijke ondergeschiktheid verkeert.

de hoge raad overweegt dat het voor het voldoen aan punt 1 niet noodzakelijk is dat één persoon de leiding heeft. voldoende is dat tussen de betrokken personen zodanig nauwe banden in bestuur en leiding bestaan, dat zij samen het bestuur en de leiding voeren.

 

financiële verwevenheid
financiële verwevenheid moet worden aangenomen als ten minste de meerderheid van de aandelen – daaronder de zeggenschap – in elk van de tot de eenheid behorende vennootschappen middellijk of onmiddellijk in dezelfde handen is. maken ook niet aandelenvennootschappen deel uit van de fiscale eenheid? dan bestaat er ook financiële verwevenheid als de ene vennootschap/ondernemer een mate van zeggenschap heeft in de andere vennootschap/ondernemer die niet onderdoet voor de mate van zeggenschap van een meerderheidsaandeelhouder in een aandelenvennootschap. bovendien moet die zeggenschap voldoende zijn om ook de financiële positie van de niet aandelenvennootschap/ondernemer in de gewenste verhouding tot een of meer andere deelnemers aan de fiscale eenheid te kunnen brengen.

 

formele rechtskracht beschikking en vertrouwensbeginsel
de hoge raad bevestigt dat de beschikking fiscale eenheid geen formele rechtskracht heeft; door de beschikking kan geen fiscale eenheid ontstaan als niet aan de materiële voorwaarden wordt voldaan. de beschikking dient wel de rechtszekerheid. belastingplichtigen zonder fiscale-eenheidsbeschikking kunnen niet eerder als zodanig worden behandeld, dan vanaf het moment dat de inspecteur zijn standpunt ter zake bekendgemaakt heeft. deze belastingplichtigen kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor de verschuldigde btw van de fiscale eenheid in de periode dat er geen beschikking was.

aan een afgegeven beschikking kan wel vertrouwen worden ontleend, mits de inspecteur bij de aanvraag over alle informatie beschikt om het verzoek inhoudelijk te kunnen beoordelen. bovendien mag de afgifte van de beschikking niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing, dat de belastingplichtige de onjuistheid daarvan redelijkerwijs had kunnen en moeten beseffen.

oordeel
de hoge raad verwijst deze zaak naar een ander hof. dat hof moet op grond van de hiervoor genoemde criteria beoordelen of de banden tussen de bv en de stichting in financieel, organisatorisch en economisch opzicht voldoende nauw met elkaar verweven zijn om hen samen als een fiscale eenheid voor de btw te kunnen aanmerken.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief