De Hoge Raad gaat ervan uit dat Vpb-plichtigen en andere belastingplichtigen gelijke gevallen zijn voor de berekening van belastingrente. Toch bepaalt artikel 1, onderdeel b Bbi zonder goede grond dat uitsluitend Vpb-plichtigen een hogere belastingrente moeten betalen. De motivering dat daarmee wordt aangesloten bij de wettelijke rente voor handelstransacties rechtvaardigt deze selectieve renteverhoging niet. Een nog niet geformaliseerde belastingschuld is namelijk geen handelsvordering, aldus de Hoge Raad. De stelling dat belastingplichtigen belastingrente kunnen voorkomen door tijdig aangifte te doen of een voorlopige aanslag aan te vragen, snijdt geen hout. Ook een vermijdbare lastenverzwaring mag namelijk niet onevenredig zijn.

Artikel 1, onderdeel b Bbi is daarom onverbindend en moet buiten toepassing blijven. In dat geval zijn partijen het erover eens dat de belastingrente moet worden vastgesteld op 4%.

Afhandeling massaalbezwaarprocedures

De bezwaarschriften tegen het in rekening gebrachte percentage belastingrente voor de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting vanaf 1 oktober 2020 zijn aangewezen als massaal bezwaar. Nu de Hoge Raad de conclusie van Advocaat-Generaal (A-G) Koopman van begin oktober vorig jaar volgt, komt er een einde aan de rechtsgang en kunnen de (ongeveer 29.500) bezwaarschriften collectief worden afgehandeld. Heb je voor je klanten tijdig bezwaar gemaakt tegen de belastingrente? Dan kunnen zij een teruggave van belastingrente tegemoetzien.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief