een lijfrente-uitkering kent zowel in de opbouwfase (de premie-aftrek) als in de uitkeringsfase spelregels. wil je eerder stoppen met werken (vóór de aow-leeftijd) en hiervoor de lijfrente-uitkering gebruiken? dan geldt, op hoofdlijnen, een minimale looptijd van twintig jaar plus het aantal jaren dat de uitkering aanvangt vóór de aow-leeftijd. als het lijfrentekapitaal is opgebouwd vóór 2014, gelden mogelijk andere (ruimere) regels. wanneer je te maken hebt met de lange uitkeringsduur, dan zorgt dat ervoor dat de jaarlijkse bedragen relatief laag uitvallen. aan de andere kant: voor wie juist in kortere tijd wil beschikken over extra inkomen, geldt een minimumduur van vijf jaar en bovendien een maximale uitkeringshoogte per jaar (2025: € 26.781). het is dus belangrijk om goed te bedenken hoe de uitkeringen aansluiten op jouw levensfase en wensen.

samenloop
de samenloop met andere inkomensbronnen speelt ook een rol; denk aan de aow-uitkering. heb je naast de lijfrente en aow bijvoorbeeld nog een pensioen bij een voormalige werkgever? dan kunnen de gecombineerde uitkeringen leiden tot een hogere belastingdruk dan verwacht. zonder inzicht en planning loop je het risico dat de lijfrente uiteindelijk niet het gewenste effect heeft. het gaat dus niet om de vraag óf je fiscaal voordeel behaalt, maar vooral om hóe de uitkering past in je totale financiële plaatje.

tip
vraagt je klant om een berekening van zijn of haar jaarruimte? vraag dan eens door. de wensen van je klant kunnen namelijk tot een ander inzicht leiden.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief