volgens de rechtbank ligt de bewijslast om aan te tonen dat ook het hogere bedrag dan het vastgelegde bedrag in het echtscheidingsconvenant kwalificeert als een betaling die voortvloeit uit het familierecht. onder verwijzing naar een uitspraak van de hoge raad moet het aannemelijk zijn dat een burgerlijke rechter de aanvullende alimentatie tot eenzelfde bedrag zou hebben vastgesteld.
de rechtbank acht dit niet aannemelijk, aangezien het bedrag acht keer hoger is dan de alimentatie die is opgenomen in het echtscheidingsconvenant. dat de man de verplichting voelde om zijn ex-vrouw een hogere alimentatie te betalen, betekent nog niet dat dit een onderhoudsverplichting is in de zin van artikel 6.3, lid 1, letter f wet ib 2001. hiervan is pas sprake als:
- de uitkeringen in rechte vorderbaar zijn én
- berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.
daarvoor moet er blijkens de wetsgeschiedenis sprake zijn van een natuurlijke verbintenis die is omgezet in een rechtens afdwingbare verplichting. volgens de rechtbank is daarvan geen sprake. het bedrag van de aftrekbare onderhoudsverplichting moet worden bepaald op € 300 per maand, verhoogd met indexatie.