in de kamerbrief wordt de stand van zaken gecommuniceerd over drie verschillende onderwerpen met betrekking tot ww-premiedifferentiatie:
1) tijdelijke urenuitbreiding en wisselende arbeidsomvangen
het ministerie stelde voorheen dat een tijdelijke contractuele urenuitbreiding altijd kwalificeert als tweede tijdelijke arbeidsovereenkomst waarvoor de hoge ww-premie geldt. dit standpunt bleek juridisch niet houdbaar, waardoor het met terugwerkende kracht is herzien. ook het standpunt dat een arbeidsovereenkomst met wisselende arbeidsomvangen een oproepovereenkomst is, is met terugwerkende kracht herzien. hierdoor geldt de lage premie voor een arbeidsovereenkomst met meerdere arbeidsomvangen, zolang deze maar als één aantal uren per tijdseenheid van ten hoogste één maand of jaar (mits gelijkmatige loonspreiding) zijn vastgelegd. hierdoor kwalificeren arbeidsovereenkomsten waarin een tijdelijke urenuitbreiding is overeengekomen niet langer als oproepovereenkomsten.
2) herzieningssituaties waarbij met terugwerkende kracht de hoge ww-premie geldt
de wab kent twee, nog niet ingevoerde herzieningssituaties:
a. de werknemer krijgt binnen een jaar na aanvang van de dienstbetrekking een ww-uitkering door arbeidsurenverlies bij de werkgever.
b. de werknemer krijgt opnieuw een ww-uitkering, maximaal één jaar nadat situatie a is opgetreden.
deze herzieningssituaties moeten voorkomen dat vaste contracten flexibel worden ingezet door deze na korte tijd te ontbinden (situatie a) en om een draaideur richting de ww te voorkomen, vooral bij seizoensarbeid (situatie b). de minister heeft besloten om situatie a nog niet in te voeren, maar wel te monitoren of dit in de toekomst alsnog nodig is. herzieningssituatie b wordt definitief niet ingevoerd.
3) seizoensarbeid
de uitvoeringsinstanties kunnen seizoensarbeid niet uitzonderen van de hoge ww-premie. een alternatieve subsidie om seizoenswerkgevers te compenseren voor de hoge ww-premie wordt mede vanwege het risico op misbruik ook niet ingevoerd.