hof arnhem-leeuwarden oordeelt dat de dga btw-ondernemer was en dit tot aan de levering van de woning is gebleven. hij was btw-ondernemer voor de verhuur van het kantoorpand. met de verhuur heeft hij immers een vermogensbestanddeel geëxploiteerd om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen. dat zou zijn beëindigd als hij het kantoorpand zou hebben verkocht of naar privé hebben overgebracht. maar nadat de stichting de huur had opgezegd, heeft hij zich eerst ingespannen om een nieuwe huurder voor het kantoorpand te vinden. in dat kader heeft hij aannemers in de arm genomen om het pand te moderniseren. terwijl dit nog gaande was, is hij ingegaan op het idee om het kantoorpand te transformeren en nieuwe woningen te realiseren. deze handelingen volgden elkaar naadloos op, waardoor niet gezegd kan worden dat de onderneming is geëindigd voordat de levering van de woning plaatsvond. de levering van de woning heeft daarom plaatsgevonden in het kader van het btw-ondernemerschap en is daarmee btw-belast.
geen schending vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel
er heeft vooroverleg plaatsgevonden. op grond van de informatie die de inspecteur in 2016 had, heeft hij toegezegd dat er in 2018 bij de levering van de woning geen btw zou worden geheven. die toezegging en dat gewekte vertrouwen waren echter gebaseerd op de situatie dat belanghebbende een perceel grond zou leveren aan een particulier, die vervolgens een aanneemovereenkomst zou sluiten met een aannemer voor de bouw van een woning. de toezegging ziet dus niet op de situatie dat er een woning wordt geleverd.
ook het zorgvuldigheidsbeginsel is volgens het hof niet geschonden. de wijze waarop de belastingdienst deze zaak heeft afgehandeld (standpunt wijzigen en te lang uitblijven van een reactie) verdient niet de schoonheidsprijs, maar is niet zo ernstig dat hierdoor van een juiste wetstoepassing moet worden afgeweken.