rechtbank den haag oordeelt dat de inspecteur terecht stelt dat de holding-bv en de werk-bv een fiscale eenheid (fe) vormen. de stelling van de enig aandeelhouder dat sinds 18 oktober 2007 (einde btw-ondernemerschap voor dga’s) die eenheid niet meer bestaat, is onjuist. toen is alleen de aandeelhouder uit de eenheid ontvoegd. ook de stelling dat de holding-bv geen btw-ondernemer zou zijn, houdt geen stand. de aandeelhouder van de holding-bv is in loondienst bij de holding-bv en verricht op grond van een managementovereenkomst werkzaamheden voor de werk-bv. het uitlenen van personeel is een btw-belaste dienst. de holding-bv is dus ondernemer voor de btw.

naheffingsaanslagen en vergrijpboetes

uit een boekenonderzoek is gebleken dat er een verschil is tussen de aangegeven omzet en de op bankrekening ontvangen bedragen. de rechtbank stelt vast dat de fe dus niet de vereiste aangifte heeft gedaan. daardoor wordt de bewijslast omgedraaid en verzwaard. vervolgens oordeelt de rechtbank dat geen stukken zijn overgelegd, waaruit blijkt dat de naheffingsaanslagen onterecht zijn opgelegd. wel acht de rechtbank de correcties van de aftrek van voorbelasting wegens het privégebruik van drie auto’s die door de echtgenote worden gebruikt, niet redelijk. deze auto’s zijn om zakelijke redenen aangeschaft. in zoverre moeten de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes worden verminderd. bovendien moet de vergrijpboete worden verminderd vanwege de (te) lange duur van de procedure.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief