allereerst zal de broer uiteraard verweer moeten voeren tegen de aanslag. de lening was krachtens de overeenkomst wel direct opeisbaar, maar in feite was dat blijkbaar niet het geval. blijft de aanslag in stand, dan komt de vraag over de toerekening aan bod. de broer redeneert hier als volgt: op grond van de invorderingswet, artikel 46, is de schenker hoofdelijk aansprakelijk voor de schenkbelasting die door de begiftigde is verschuldigd. uit bw 6:6 blijkt dat hoofdelijk verbonden schuldenaren ieder voor een gelijk deel zijn verbonden. tenzij er iets anders voortvloeit uit de wet, gewoonte of rechtshandeling. ieder moet vervolgens het deel betalen dat hem aangaat. de ontvanger zal eerst bij de broer aankloppen voor betaling. kan of wil deze niet betalen, dan kan de ontvanger ook bij de zus terecht. voor zover de broer of zus meer betaalt dan hem of haar aangaat, ontstaat er een regresvordering op de ander (bw 6:10). de fout in de redenering van de broer is echter dat de zus weliswaar hoofdelijk aansprakelijk is, maar geen medeschuldenaar. een beroep op bw 6:6-1 gaat dus niet op.
praktische consequentie
uiteraard is de bepaling in de invorderingswet omtrent de hoofdelijke aansprakelijkheid van de schenker alleen bedoeld om de ontvanger zekerheid te geven over de betaling. de schenkbelasting hoort niet werkelijk (deels) voor rekening van de schenker te komen, tenzij deze een schenking vrij van recht heeft gedaan. daarvan is in casu geen sprake. de zus kan daarom de aanspraak van haar broer makkelijk afdoen. spreekt de ontvanger haar aan voor betaling, dan zal zij het betaalde wel op haar broer moeten verhalen.