De Hoge Raad geeft aan dat beperkingen van het btw-aftrekrecht alleen zijn toegestaan voor zover de Btw-richtlijn 2006 daarin voorziet. Zo is het aftrekrecht uitgesloten als:
- goederen en diensten worden gebruikt voor vrijgestelde prestaties; of
- worden gebruikt voor prestaties die niet onder de werkingssfeer vallen van de Btw-richtlijn; of
- er sprake is van fraude of misbruik.
Omdat geen van deze gevallen zich voordoet, heeft de vrouw recht op btw-aftrek. Uit de Wet OB, noch uit de Btw-richtlijn, noch uit de rechtspraak van het EU-hof van Justitie kan worden afgeleid dat de omstandigheid dat onzeker is of de door een ondernemer (de vrouw) bedongen vergoeding zal worden betaald, aan het recht op btw-aftrek in de weg staat.