De rechtbank geeft verder aan dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bij het vaststellen van het forfaitair rendement van 4% is uitgegaan van het reële rendement op staatsobligaties.

Lange reeks van jaren’
Net als in de uitspraak van Rechtbank Den Haag*) over de jaren 2012 en 2013 die we vorige week opnamen in de Fiscasus, gaat ook Rechtbank Zeeland-West-Brabant in op het criterium van een ‘een langere reeks van jaren’ uit de uitspraak van de Hoge Raad**) van 10 juni 2016. De rechtbank stelt vast dat ook voor 2014 niet kan worden vastgesteld dat het voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is. Daaraan doet de rechtbank echter een belangrijke toevoeging: zelfs als zou worden vastgesteld dat daar in 2014 voor het eerst wel sprake van was, valt het binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever om niet onmiddellijk over te gaan tot wijziging van de box-3-heffing.

*) ECLI:NL:RBDHA:2016:14343
**) ECLI:NL:HR:2016:1129

Proefprocedures
Deze zaak en de identieke zaak over het jaar 2013 betreffen twee proefprocedures die de staatssecretaris van Financiën aan de rechter heeft voorgelegd.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief