hof den haag had geoordeeld dat de dga ten onrechte aansprakelijk was gesteld voor de loonbelasting- en btw-schulden over februari 2019. de meldingstermijn van de betalingsonmacht was namelijk op 29 maart 2019 nog niet verstreken. de melding hoefde pas uiterlijk plaats te vinden binnen 14 dagen na het moment waarop de loonbelasting- en btw-schulden hadden moeten zijn betaald. dat was op 31 maart 2019. voor het tijdvak februari 2019 moest de dga worden aangemerkt als gewezen bestuurder en toegelaten worden tot het leveren van tegenbewijs dat het niet aan zijn onbehoorlijk bestuur te wijten is dat de belastingschulden niet tijdig zijn betaald. hij slaagt daarin door aan tonen dat hij na het wegvallen van de belangrijkste opdrachtgever steeds heeft geprobeerd de onderneming draaiende te houden met name voor het belang van zijn personeel. ten aanzien van de aansprakelijkstelling voor de genoemde schulden over de tijdvakken december 2018 tot februari 2019 was de dga wel terecht aansprakelijk gesteld volgens het hof. vanwege de niet-tijdige melding van de betalingsonmacht werd de dga als zittende bestuurder niet toegelaten tot het leveren van tegenbewijs om het kennelijk onbehoorlijke bestuur te weerleggen.

moeilijke bewijspositie
de hoge raad vraagt zich af of de moeilijke bewijspositie van de dga ten aanzien van de bestuurdersaansprakelijkheid voor de btw-schulden in strijd is met het eu-evenredigheidsbeginsel. een bestuurder moet bij niet-tijdige melding immers eerst bewijzen dat het niet-tijdig melden niet aan hem te wijten is. dat is slechts in bijzondere omstandigheden het geval, namelijk ingeval van overmacht of als hij te goeder trouw is afgegaan op het advies van een deskundige. pas als hij in deze bewijslast slaagt, kan hij vervolgens bewijzen dat het uitblijven van de betaling van de belastingschulden niet te wijten is aan zijn onbehoorlijk bestuur. de hoge raad stelt daarom de volgende vragen aan het eu-hof van justitie:

  1. verzet het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel zich tegen een regeling als die van artikel 36, lid 4, iw 1990, die het voor een bestuurder van een lichaam dat niet of niet op de juiste wijze heeft voldaan aan zijn verplichting tot melding van betalingsonmacht aan de ontvanger van de belastingdienst, in de praktijk uiterst moeilijk maakt te ontkomen aan aansprakelijkheid voor belastingschulden van het lichaam, waaronder btw-schulden?
  2. is voor het antwoord op vraag 1 van belang of de bestuurder te goeder trouw heeft gehandeld doordat hij met de zorgvuldigheid van een bedachtzame ondernemer te werk is gegaan, hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt, en zijn betrokkenheid bij misbruik of fraude is uitgesloten?

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief