als bij een van de loterijen die de staatsloterij organiseert sprake is van de mogelijkheid om een geldig deelnamebewijs te overleggen, heeft uitsluitend de aanbieder ervan recht op uitbetaling van de op dat deelnamebewijs gevallen prijs (artikel 17.2 van het deelnemersreglement). dit geldt op grond van de algemene bepalingen van het deelnemersreglement van de staatsloterij. het (staats)lot betreft dan ook een zogenoemd recht aan toonder. de schoonvader heeft zich met het originele winnende lot bij de staatsloterij gemeld. vervolgens heeft de staatsloterij – op grond van het wettelijk vermoeden van artikel 3:119 burgerlijk wetboek (dat een bezitter vermoed wordt tevens rechthebbende te zijn) – met juistheid tot uitgangspunt genomen dat de schoonvader in deze zaak de eigenaar is van het lot. daarmee diende de uitkering aan hem in beginsel plaats te vinden. dit kan pas anders zijn als uit onderzoek is gebleken dat een derde recht heeft op uitbetaling van een prijs (artikel 20.2 van het deelnemersreglement).

opschortingsrecht
artikel 20.1 van het deelnemersreglement bepaalt dat de staatsloterij de uitbetaling van een prijs mag opschorten als zij gerechtvaardigde twijfels heeft over het recht van de aanbieder van het deelnamebewijs om hierover en/of over de prijs te beschikken. de staatsloterij heeft dit opschortingsrecht in ieder geval gedurende een (gerechtelijk) onderzoek naar de gegrondheid van die twijfels, zo bepaalt het reglement. de staatsloterij heeft aangevoerd dat zij, nadat zij enig onderzoek heeft gedaan, er niet (meer) gerechtvaardigd aan twijfelt dat de schoonvader de eigenaar van het lot is, zodat zij tot uitbetaling over diende te gaan. de voorzieningenrechter acht die handelwijze gegeven de omstandigheden niet onbegrijpelijk.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief