De man heeft voor 50% van € 380.000 (€ 265.000 + € 115.000) = € 190.000 een eigenwoningschuld aan zijn ex-partner. Daarnaast bedraagt zijn helft van de gezamenlijke eigenwoningschuld op het moment van scheiding € 290.000 (50% van 755.000 minus € 175.000). De totale eigenwoningschuld van de man bedraagt dus € 480.000. De helft van de waarde van de eigen woning op het moment van scheiding bedraagt € 445.000 (50% van € 890.000). De schuld is dus hoger dan de waarde van zijn aandeel in de eigen woning. De EWR is daarom nihil.

Eigenwoningschuld
De man en zijn partner deden een beroep op artikel 3.119b, lid 2 Wet IB 2001 (tekst 2012). Tot 1 januari 2013 konden de gewezen partners op grond van dit artikel verzoeken om de EWR aan ieder van hen toe te rekenen naar de mate van feitelijke gerechtigdheid tot het vervreemdingssaldo van de eigen woning. Die verdeling van de EWR werd bij beschikking vastgesteld.

Het hof laat dit verzoek geheel buiten toepassing en oordeelt dat de man – naast zijn helft van de gezamenlijke eigenwoningschuld – een schuld heeft aan zijn ex-partner en dat deze kwalificeert als eigenwoningschuld. De hoogte van die schuld kon hij onderbouwen aan de hand van het samenlevingscontract waarin zij afspraken hadden gemaakt over ieders bijdragen aan de eigen woning en over het ontstaan van een renteloze vordering als de een meer bijdraagt dan de ander. De totale eigenwoningschuld van de man is op het moment van echtscheiding daardoor hoger dan de waarde van zijn aandeel in de eigen woning. Met als gevolg dat de EWR nihil is.

Tip
Ongelijke bijdragen aan de aankoop of verbouwing van een eigen woning of de aflossing van een eigenwoningschuld komen vaker voor. Denk bijvoorbeeld aan een schenking voor de eigen woning die voor de aankoop, verbouwing of aflossing van een eigenwoningschuld wordt gebruikt. Of als de partners verschillende eigen vermogens hebben. Het is dan verstandig om ieders bijdragen aan de koop, de verbouwing en/of de aflossing van de eigenwoningschuld te administreren. Bij een scheiding kan dan het verschil in bijdragen worden aangetoond en daarmee de hoogte van de schuld aan de ex-partner. Die schuld kwalificeert volgens de redenering van het hof als eigenwoningschuld met als gevolg geen – of in ieder geval een lagere – EWR. In tijden dat de huizenprijzen weer flink aantrekken geen overbodige actie.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief