de man is geen kwalificerende buitenlands belastingplichtige in nederland, omdat hij niet aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet (artikel 7.8, lid 6 wet ib 2001, juncto artikel 21bis uitvoeringsbesluit wet ib 2001). het hof stelt vast dat de man inderdaad niet voldoet aan de 90%-eis. de nederlandse wetgever heeft echter het unierecht (de schumacker-rechtspraak) niet goed in de nationale wetgeving geïmplementeerd. de nationale wetgeving moet in dat geval terugtreden. het hof stelt vervolgens vast dat de man en zijn vrouw geen belasting verschuldigd zijn in frankrijk. zij hebben daarnaast daar te weinig inkomen om de franse tegemoetkomingen in aanmerking te kunnen nemen, die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie. onder deze omstandigheden moet nederland een pro rata-aftrek van de negatieve inkomsten uit de eigen woning toestaan volgens de breuk belast nederlands inkomen/wereldinkomen. daarbij wordt de tegemoetkoming begrensd door de belastingheffing die de man en vrouw in nederland verschuldigd zouden zijn als zij binnenlands belastingplichtig zouden zijn geweest. de opgelegde navorderingsaanslag moet worden verminderd.
bijlage
momenteel zijn er veel vergelijkbare zaken aanhangig bij het hof over de reikwijdte van de schumacker-rechtspraak en de vragen die dit oproept. daarom zet het hof in een bijlage bij de uitspraak een lijn uit waarlangs de vragen kunnen worden beantwoord.