de verlengde navorderingstermijn van artikel 66, lid 4 sw dient ertoe om in buitenlandsituaties belastingfraude te bestrijden en om doeltreffende fiscale controles te waarborgen. volgens het hof – in navolging van de rechtbank – is in deze zaak geen sprake van strijd met artikel 1 ep evrm. de inspecteur heeft gehandeld binnen de grenzen die de hoge raad in zijn uitspraak van 6 augustus 2021 heeft aangegeven voor de toelaatbaarheid van het gebruik van een verlengde navorderingstermijn. de inspecteur heeft deze termijn namelijk niet gebruikt op een wijze die verder gaat dan noodzakelijk is, om de hiervoor genoemde doelen te bereiken.

voortvarendheidseis
het hof is het echter niet eens met de rechtbank over de vraag of de inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld. het hof stelt vast dat de inspecteur geen verklaring heeft verstrekt voor de vertraging tussen augustus 2017 en 24 oktober 2018 voor het opleggen van de navorderingsaanslag erfbelasting. deze onverklaarde vertraging heeft langer dan zes maanden geduurd en is daardoor in strijd met de op grond van het eu-recht vereiste voortvarendheid.

standstillbepaling
de inspecteur verweert zich nog met de stelling dat de voortvarendheidseis niet geldt ten aanzien van zwitserland, een zogenoemd derde-land. hij baseert deze stelling op de standstillbepaling van 31 augustus 1993. maar ook die stelling biedt hem geen soelaas. de onbeperkte navorderingstermijn is pas op 1 januari 2012 tot stand gekomen, dus ver na de  standstillbepaling. de verlengde navorderingstermijn is ook geen voortzetting van wetgeving die op 31 december 1993 al bestond. de navorderingsaanslag erfbelasting (€ 370.370) moet worden vernietigd.

 

 

 

 

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief