de hoge raad oordeelt in de uitspraak van 20 mei 2022 dat als in een massaalbezwaarprocedure een collectieve uitspraak is gedaan, de rechter daarmee rekening mag (dus niet: moet) houden bij de behandeling van een individueel bezwaar over de rechtsvraag of er sprake is van een individuele buitensporige last.

dit geldt in beginsel ook voor de individuele verminderingsbeslissing. is de verminderingsbeslissing bekend voordat de rechter uitspraak doet en partijen zich hierover hebben kunnen uitlaten? dan kan de rechter deze beslissing meenemen in zijn oordeel. ook is het mogelijk dat de rechter zich al een duidelijk beeld kan vormen over de gevolgen van de collectieve uitspraak, nog voordat de individuele verminderingsbeslissing er is. hij hoeft die dan niet af te wachten. zo kan mogelijk tot een oordeel worden gekomen zonder dat de belastingplichtige zich daarna genoodzaakt voelt om een verzoek om ambtshalve vermindering te doen gevolgd door een nieuwe rechterlijke procedure over de afwijzing daarvan. een verzoek om ambtshalve vermindering kan de belastingplichtige immers nog doen nadat de massaalbezwaarprocedure is afgerond en de aanslag onherroepelijk vaststaat.

voortvarende beslechting

toch kan de rechter het belang van een voortvarende beslechting zwaarder laten wegen dan het belang van het voorkomen van twee procedures over met elkaar samenhangende geschilpunten. zo mag de rechter zich onder de volgende voorwaarde beperken tot het geven van een oordeel over de individuele buitensporige last. de gevolgen van de collectieve uitspraak voor de hoogte van de box-3-heffing zijn niet te bepalen, maar er zijn wel voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het op het kerstarrest gebaseerde rechtsherstel niet zal leiden tot een andere beoordeling van de individuele buitensporige last.

de hoge raad oordeelt daarom dat het hof zich terecht bij de beoordeling van de aanslagen ib 2017 en 2018 heeft beperkt tot de rechtsvraag of sprake is van een individuele buitensporige last. daarvan was op grond van de financiële omstandigheden van de man geen sprake. het hof heeft de aanslagen over 2017 en 2018 in stand gelaten. dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, aldus de hoge raad. het cassatieberoep is ook ongegrond ten aanzien van de aanslagen ib 2017 en 2018.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief